biografie     exposities     recent werk      archief      pers      contact   

beeldend kunstenaar

© els timmerman 2010/2016  colofon & disclaimerEls_Timmerman_Colofon_%26_Disclaimer.htmlshapeimage_3_link_0

Dat wordt nog ‘ns extra duidelijk wanneer Els Timmerman haar bezoek rondleidt langs de doeken en tekening-en die tegen de wanden van haar atelier leunen, sommige nog nat van de verf. 
Gepassioneerd vertellend alsof ze over haar kinderen praat, geregeld wijzend op subtiele details die het oog van de onbevangen kijker bij de eerste aanblik mogelijk ontgaan. Veel van de werken zullen op de tentoonstelling in museum Belvédère in Oranjewoud (2011) te zien zijn. Het zijn vooral spiegelingen.  Timmerman zoekt haar onderwerpen graag dichtbij huis. ‘Ik ben begonnen met foto’s van spiegelingen in Italië. Dan leken het eigenlijk meer aquarellen dan foto’s.’ Nu schildert  ze vaak spiegelingen van het IJ in Amsterdam. Min of meer gezien vanuit haar eigen huis, in een hoog appartementencomplex aan het water.


Het is niet goed uit te leggen wat haar zo in die spiegelingen aantrekt, zegt ze. Wat zou ze daar nou over moeten zeggen? Ze is niet gewend om te praten over haar werk. ‘Ik denk dat de meeste kunstenaars dat niet graag doen. Het mooie aan die spiegelingen is dat er beweging in zit. Ik hou sowieso erg van water, van de lichtval op water. Ik hou van zwemmen, van snorkelen. In depressieve perioden heeft water ook een zuigkracht. Ik kan mij dan goed voor-stellen dat je erin zou willen verdwijnen. Het bewéégt, schittert en tintelt.

En in die tinteling schuilt een lokroep.’


Ook omdat die spiegelingen letterlijk de afspiegeling van de werkelijkheid zijn?


‘Dat heeft emee te maken. Al denk ik zo niet als ik met een schilderij bezig ben. Dan gaat het mij vooral om die tinteling van licht in water. Ik kan uren naar water kijken. Vooral in de stad zelf. We hebben op de Oudezijds gewoond. Ik heb nog vaak als ik er ‘s avonds langsloop dat ik moet huilen omdat ik er niet meer woon. Dan kan ik weemoedig over de brug hangen. “O, ga je het weer krijgen?” vraagt Peter dan. “Laten we maar gauw verder lopen.”


Els Timmerman was zes toen ze zich voornam om haar hele leven te blijven tekenen. Terwijl ze op die jonge leeftijd ook al aardig kon schrijven. Op haar zesde won ze de derde prijs bij een wedstrijd van dagblad De Tijd voor het schrij-ven van een kindertoneelstuk. Ze was de oudste van drie kinderen, in een katholiek gezin in Amsterdam. Kunst speelde geen enkele rol bij haar thuis. Haar vader had een groothandel in zuivel. Hij was zestien jaar ouder dan haar moeder. Een akelige man, zegt ze, ‘die sloeg en aan me zat’. Het kan niet anders dan dat het tekenen al vroeg een toevluchtsoord voor haar was. ‘Als hij me in elkaar geslagen had, troostte ik mezelf door te tekenen. Ik kon een eigen wereld maken waarin ik mij thuis voelde. Dat is het nog steeds. Je creëert echt een eigen wereld. Ik leef het meest als ik aan het werk ben. Want dan voel ik niet dat ik leef. Ik vind het leven zwaar, en tegelijk de moeite waard. Maar als ik werk, kom ik in een flow die mij gelukkig maakt. Mijn werk is de veiligste plek die ik ken.’


Haar vader maakte nog mee dat Timmerman erkenning kreeg als schilder. Maar hij heeft haar werk nooit op waarde weten te schatten. Toen ze ooit een grote tentoonstelling had in het Gemeente Museum Arnhem, kwam hij nadrukkelijk niet kijken. ‘Ik heb hem na een paar weken gezegd: “Volgende week loopt m’n expositie af. Ik zou het toch leuk vinden als je er wat van zou zien.” Dat beloofde hij. Later belde ik hem op: “Hoe vond je de expositie?” “Ja, daar ben ik dus helemaal niet aan toegekomen. Want ik kwam in Arnhem aan en dacht: verrek, hier woont toch die en die vriendin...”


Ze had helden, toen ze met tekenen en schilderen begon. Vincent van Gogh was in die dagen een lichtend voorbeeld. ‘Ik dacht als meisje: als ik  toen geleefd had, was dat met dat oor nooit gebeurd. Dan waren we samen heel erg gelukkig geworden. Ik spaarde alles van hem. Zoals een ander voetbalplaatjes spaarde, spaarde ik Van Gogh.’ Later werd Charley Toorop een heldin. ‘Door dat knokkerige dat erin zit. Ze smeert alles dicht met verf, alsof ze beeldhouwt.’

interview met els timmerman door coen verbraak

Amsterdam | augustus 2011




Middenin haar atelier staat een doek, waarop in crèmekleurige tinten een paar lijnen te zien zijn. Nog duidelijk een doek in wording; het rudimentaire begin van een van haar befaamde spiegelingen. En toch markeert het een belangrijk moment in het werk van Els Timmerman. Want dit schilderij is in tegenstelling tot de rest van haar oeuvre niet gemaakt met olieverf, maar geschilderd met acrylverf. Noodgedwongen. Ze heeft sinds kort een allergie voor olieverf ontwikkeld. Ze krijgt bloedneuzen, wordt er benauwd van. Soms draagt ze er een speciaal masker voor, maar dat is geen ideale oplossing. Nu probeert ze het met acryl. Maar dat blijft uitproberen. ‘Mijn handen staan nog steeds naar olieverf. Die acryl is stug, voelt als plastic.’ En als het niet mocht lukken met acryl, dan grijpt ze gewoon weer naar olieverf, bloedneus of niet.


Want schilderen zál ze.

‘Je begint met een plan. Maar gaandeweg komt er een moment waarop je vastloopt. Dan moet je luisteren naar wat dat schilderij tegen je zegt. In feite vertelt dat doek hoe het wil worden. Het schilderij daagt je uit: durf je het aan om hier niet meer aan te komen? Of: durf je om datgene wat hier goed aan is weg te snijden?

Thuis heeft ze nu een doek hangen, een spiegeling van een kerk. Er is iets niet goed aan, maar ze weet niet precies wat.  ‘Ik voel dat er iets aan mankeert maar ik weet niet op welke plek het zit. Dan neem ik het dus mee naar huis, leef ermee. Totdat ik het weet. Iets meer geel, wat minder blauw.’


Waaraan merk je dat je vakmanschap groeit?


‘Dat weet ik niet. Het wordt eerder moei-lijker dan makkelijker. Je torst steeds meer kennis mee, je hebt almaar meer
goede dingen van anderen gezien. Je vraagt je vaker af of jouw werk wel iets toevoegt. En schilderen is ook een kwestie van het vaak doen, net als bij spor-
ten. Hoe meer je traint, hoe trefzekerder je wordt. Het hangt dus ook samen met discipline. Ik kan niet meer zo lang achtereen werken als vroeger. Na een uur of zes is het wel klaar. Als ik een paar dagen hard gewerkt heb, ben ik echt doodop. Dan zou ik het liefst oeverloos dronken willen worden. Maar dat kan ik me niet meer veroorloven. Een fles wijn drinken kost me echt een dag. Dat is het mij niet waard. ‘Peter is de enige met wie ik over mijn werk praat. Ik vraag soms: kom even op mijn atelier kijken, want ik zit ergens mee. Uiteindelijk doe ik toch wat ik zelf wil, maar ik vind het fijn om zijn mening te horen. Als Peter zegt: “Je moet rechtsboven iets doen,” terwijl ik denk: “Nee, het probleem zit rechtsonder,” dan ga ik niet braaf rechtsboven aan het werk.’


Vraagt hij jou omgekeerd ook om advies?


‘Ook wel. Maar Peter heeft een touch of genius in zijn tekeningen. Het gaat bij hem allemaal heel makkelijk. Hij is soms alleen nogal slordig. Dan tekent-ie rommelige voetjes omdat het hem niet zoveel interesseert. Dan zeg ik: “Doe het nou even over, jongen.”’


Wat voor hoofdstukken komen er nog in je oeuvre?


‘De ontdekking van acryl wil ik verder onderzoeken. En ik heb foto’s gemaakt waarvan ik moet beslissen wat ik daar wel of niet mee zou willen doen.’


Is het ook een optie om, nu je vijfenzestig bent, niet meer te werken?


‘Een kunstenaar gaat nooit met pensioen.  Ik fantaseer er wel eens over. Onbeperkt reizen kunnen gaan maken, dat lijkt me heel aantrekkelijk. Want het is niet alleen maar leuk. Dat is het verschil tussen een hobbyist en een professional. Een hobbyist gaat schilderen als hij er zin in heeft, een prof gaat ook werken als hij geen zin in heeft. Die doet het omdat het moet.’


Van wie moet dat dan?


‘Dat is een verplichting aan mezelf. Je moet woekeren met je talenten. Ik kan nooit stilzitten. Ik heb geen enkel excuus om ermee op te houden.’


Heb je je beste werk al gemaakt?


‘Ik hoop het niet. Dat moet nog komen. Het zal vast een spiegeling zijn. Voor mij is beeld bepalender dan taal. Alleen gedichten komen misschien bij beeld in de buurt. Als je ziet hoe Vasalis zinnen formuleerde, daar krijg je onmiddellijk beelden bij. Datzelfde geldt voor de poëzie van Judith Herzberg. Die kan mij recht in het hart raken. Maar uiteindelijk hou ik toch het meest van beeld. Daar kan ik diep ontroerd door raken. Twee jaar geleden zag ik in Rome een schilderij van Caravaggio, De graflegging van Christus. Daar liepen de tranen me echt bij over de wangen. Onbeschrijflijk mooi. Ik heb het ook bij Mondriaan gehad, bij de Victory Boogie Woogie. Ik voelde echt ontroe- ring, zeker toen ik die plakbandjes op het doek zag zitten. Daarmee voelde je zijn aanwezigheid zo enorm…’


Hoe was het voor jou om vijfenzestig te worden?


‘Dat vond ik echt een geladen moment. “Vijfenzestig” staat bij mij voor “dood”.  Het grootste deel zit erop. De toekomst is niet meer eindeloos. Hoe lang zal ik mijn kleinkinderen’ (Timmerman heeft er vier) ‘nog kunnen meemaken? Zie ik ze nog verliefd worden? Ik heb sterk het besef: ik mag nu niks meer vermorsen. Ik moet aan de essentie zien toe te komen.’


En wat is die essentie?


Na lang nadenken: Een schilderij maken waarvan ook mensen die er geen kijk op hebben zeggen: hier kan ik niet omheen. Een onontkoombaar doek. Dat heb ik nog altijd niet gemaakt. Maar het is het ultieme streven. Als ik begin denk ik vaak:  “Dit is ‘t, dit gaat ‘t worden.” En dan begint het gevecht, en komt langzaamaan de teleurstelling dat het er deze keer wéér niet in zit.’ Trekkend aan haar sigaret, met omhoogkrullende mondhoeken. ‘Het valt nog niet mee, hoor,  een onontkoombaar schilderij maken…’



foto’s Anaïs López www.anaislopez.nl

Het begint vaak met een schetsje. Kijk, hier hangen er twee, in potlood. Meanderende gedachtenflitsen, gevangen in grafiet. ‘Ik fietste ’s avonds over de brug en dacht: hé, ik zou die vorm ook zo kunnen maken. En dan ga ik maar beginnen.’


Vaak werkt ze aan meerdere doeken tegelijk. ‘Ik moet zelf ook elke keer aan mijn eigen werk wennen. Af en toe weet ik gewoon niet hoe ik verder moet. Dan zet ik het weg, werk ik aan een ander doek. Dan begin ik na een tijdje weer, draai ik het ‘ns honderdtachtig graden om.’ Dat kan enorm helpen. Het grote paarse doek bij het raam van haar atelier heeft ze aanvankelijk omgekeerd gemaakt. Ze bleef er eindeloos aan werken. En toch was het maar niet naar haar zin. ‘Te saai, het werkte niet. Het kreeg maar geen extra power.’ Toen ze het doek omdraaide werd het al beter. ‘Er begon op een aangename manier iets te wrikken.’ Maar het was nog steeds niet goed. Ze ging op vakantie, zat in het vliegtuig toen ze opeens een inge-ving kreeg. ‘Verrek, er moet een lichte baan in.’ Gauw even een tekeningetje gemaakt, en met een gerust hart verder vakantie gevierd.


Thuis bleek het schilderen van een lichte baan inderdaad de oplossing. ‘Die baan máákt het schilderij. Er moet een spraakverwarring in zitten. Het moet niet glad zijn, het moet wrikken. Iets wat je een zetje geeft.’

© Anaïs Lópezhttp://www.anaislopez.nl/http://www.anaislopez.nl/shapeimage_4_link_0
© Anaïs Lópezhttp://www.anaislopez.nl/http://www.anaislopez.nl/shapeimage_5_link_0

els timmerman